Navigation Area:

Service Navigation:

Banner

TRUCK TOUR 2008

You are here:

>Home>EU-beleid>EU-rechten>Verdediging van rechten


Content Area:

Verdediging van rechten en het recht op beroep

In de richtlijnen wordt duidelijk gemaakt dat eenieder die het slachtoffer is van discriminatie of eenieder die van mening is dat hij of zij onredelijk is behandeld op grond van persoonlijke eigenschappen, adequate middelen ter juridische bescherming en doeltreffende beroepsmiddelen tot zijn of haar beschikking moet hebben (oftewel: hij of zij moet in staat zijn ervoor te zorgen dat er recht wordt gedaan). Het staat de regering van ieder land vrij te beslissen of dit middels juridische procedures — via de strafrechtelijke of civielrechtelijke systemen — of middels bestuurlijke regelingen zoals  tribunalen geregeld wordt. Regeringen kunnen er ook voor kiezen vreedzame beslechting van geschillen aan te moedigen en een systeem op te zetten waarbinnen gevallen van ongelijke behandeling vrijwillig, via dialoog, buiten de rechtszaal worden opgelost.

De richtlijnen verplichten regeringen te waarborgen dat degenen die aanklachten over ongelijke behandeling indienen, het recht hebben door hun vakbond of gespecialiseerde associaties of organisaties ondersteund en vertegenwoordigd te worden. Tegelijkertijd moeten regeringen ervoor zorgen dat de sancties die worden opgelegd in gevallen waarbij discriminatie heeft plaatsgevonden, „doeltreffend, evenredig en afschrikkend” zijn. Anders gezegd: de straffen voor discriminatie moeten in verhouding zijn met de berokkende schade en moeten een afschrikkende werking hebben waardoor dergelijk gedrag wordt voorkomen.

Om de bescherming verder te versterken, zijn regeringen verplicht wetgeving te introduceren waarmee de bewijslast in civielrechtelijke zaken (waar dus geen sprake is van tenlastelegging van strafbare feiten) wordt gedeeld door degene die stelt ongelijk behandeld te zijn geweest en degene tegen wie de aanklacht is ingediend. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het bewijzen of weerleggen van de zaak tussen de twee wordt verdeeld. Degene die de aanklacht indient, moet eerst aantonen dat uit de feiten blijkt dat er sprake is van discriminatie — dat er op het eerste gezicht bewijzen hiervan zijn — en dat er derhalve een zaak is. Daarna moet degene die van discriminatie wordt beschuldigd, aantonen dat er geen sprake is geweest van ongelijke behandeling en dat er een legitieme reden voor de manier van handelen was. De beschuldigde moet het hof of het tribunaal er dus van overtuigen dat er geen sprake is geweest van discriminerend gedrag; degene die stelt dat er discriminatie heeft plaatsgevonden wordt niet verwacht hiervan overtuigende bewijzen te overleggen — iets waartoe hij of zij waarschijnlijk ook niet in staat is.

Daarnaast zijn regeringen verplicht te waarborgen dat personen die klagen over discriminatie op een adequate manier worden beschermd tegen represailles of vergelding, zodat zij niet van het uitoefenen van hun recht op gelijke behandeling worden weerhouden. Dit geldt ook voor getuigen in discriminatiezaken. Deze moeten dezelfde bescherming tegen represailles krijgen, zodat zij worden aangemoedigd te getuigen. Regeringen zijn dan ook verplicht maatregelen te nemen om dit soort gedrag bij personen die van discriminatie worden beschuldigd te ontmoedigen. Deze maatregelen moeten er met name op gericht zijn werknemers tegen een mogelijk ontslag te beschermen als ze een aanklacht indienen of juridische stappen tegen hun werkgever ondernemen of als ze optreden als getuigen in gevallen van ongelijke behandeling.