Navigation Area:

Service Navigation:

Banner

TRUCK TOUR 2008

You are here:

>Home>EU-beleid>EU-rechten>Achtergrond van de richtlijnen


Content Area:

Achtergrond van de richtlijnen betreffende rassengelijkheid ein gelijke behandeling in arbeid

Image: Oudere medewerker

De EU-richtlijnen ter bestrijding van discriminatie vloeien rechtstreeks voort uit het Verdrag van Amsterdam en zijn binnen anderhalf jaar na het van kracht worden van dit Verdrag (mei 1999) unaniem aangenomen door de regeringen van de EU-landen. Het Verdrag, waarin de grondbeginselen en doelstellingen van de Europese Unie zijn vastgelegd, stelt dat: „De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,…, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.” Het onderstreept het fundamentele belang van non-discriminatie en past dit beginsel ook toe op andere gebieden dan nationaliteit en gelijke beloning voor mannen en vrouwen, waar al eerder overeenstemming over was bereikt. Met name verleende het Verdrag de Europese Unie bevoegdheden om op te treden tegen discriminatie op een aantal gronden. Deze bevoegdheden zijn in artikel 13 vastgelegd: „Onverminderd de andere bepalingen van dit Verdrag, kan de Raad, binnen de grenzen van de door dit Verdrag aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden.”

Motivatie achter de richtlijnen betreffende rassengelijkheid en gelijke behandeling in arbeid

Basisbeginsel van de richtlijnen is dat iedereen recht moet hebben op een gelijke en eerlijke behandeling. Het beschermen van dit fundamentele recht van de mens is een eerste verantwoordelijkheid van de EU. Beide richtlijnen maken duidelijk dat dit van wezenlijk belang is als de EU „een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid” tot stand wil brengen. Dit is ook van belang als we het nevenbeginsel van het bieden van gelijke kansen willen vasthouden en iedereen een gelijke kans willen geven om zijn mogelijkheden te benutten en te bereiken wat binnen zijn of haar vermogen ligt. En dit is weer belangrijk als de EU haar grotere doelen wil bereiken. Volgens de richtlijnen kan discriminatie „de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag ondermijnen, in het bijzonder de verwezenlijking van een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan, de vergroting van de economische en sociale cohesie en van de solidariteit”. Het kan ook de doelstellingen van de Europese werkgelegenheidsstrategie in gevaar brengen, waar deze een „arbeidsmarkt” wil creëren „die sociale integratie bevordert” en „oudere werknemers” wil ondersteunen „om hun arbeidsparticipatie te vergroten”.